Grenzen aangeven vergt moed en oefening. Grenzen aangeven was nooit echt mijn ding. Wat is dat een grens? En als ik em aangeef? Ben ik dan een onmens? Heks speelt succesvol douane. Bij een verraderlijk lieve dame.

Zondagmiddag. De bel gaat. 2 keer. Dat is mijn kat Ferguut. Althans, het is iemand, die aanbelt voor mijn kat. En het is niet de dame van het hotel aan de overkant. Zij doet dit wel eens in de loop van de avond. Als ze me door de keuken ziet lopen, terwijl ik de beesten eten geef. Als mijn panter hongerig zit te wachten in de steeg.

Maar nu is het middag. Ik sta op het punt om de deur uit te gaan. Ferguut is een half uur geleden al vertrokken. Hij wil vast nog niet naar binnen….

Ik doe de voordeur open en galm de naam van mijn boerenridder door het trappenhuis. Beneden gaan er deuren open en weer dicht. Ik hoor gescharrel, maar de panter verschijnt niet. Nee, die heeft echt nog geen zin om weer naar binnen te gaan. Echt niet!

Dan lijn ik de hondjes aan en ga zelf de deur uit. Ik rijd mijn scooter uit de berging en tuf de voordeur uit. Op het bankje in de gevel zit, zoals verwacht, de Rare Dame. Samen met een narrige Ferguut. Ze ziet er niet raar uit ofzo, deze Rare Dame. Ze ziet er uit als een snoepje van een vrouw.

Niets is minder waar. Er zit een keiharde binnenkant onder die kwetsbare buitenkant. Een bulldozer. Heks kijkt de broze bulldozer aan. ‘Ik had je toch gevraagd om niet meer bij me aan te bellen?’ zeg ik streng.

Het gekke mens terroriseert me al een hele tijd met dit aanbellen voor de kat. Altijd net als ik een lekker tukje lig te doen begint het gebel. Honden gaan blaffen, ik schrik wakker uit mijn hazenslaapje, Heks dus nijdig.

Ik besluit al snel niet meer te reageren op dat gebel. Die kat komt echt genoeg binnen hier. Er lopen voortdurend mensen in en uit het portiek. Heks incluis. Ferguut vindt het bovendien geen punt om op de trap te wachten tot ik hem mijn huis binnen laat.

De Rare Dame presteert het om soms tien keer achter elkaar 2 keer aan te bellen. En dan een half uur later, net als ik weer in slaap ben gesukkeld, begint ze weer van voren af aan me die terreur.

‘Maar Heks, zeg je daar dan niks van?’ zul je denken. Ja, Heks zegt er genoeg van. Luid en duidelijk. In niet mis te verstane bewoordingen. Iets zeggen tegen het gekke mens is overigens niet zonder gevaar. Ik heb in het begin van dit ongewenste contact wel eens iets gedeeld over wat er in mijn leventje speelt.

Ik kwam haar toen tegen op straat, net nadat ik iets vervelends had meegemaakt.

Er lag direct een hele brief met aanbevelingen en adressen in de bus. En een dag later een zo mogelijk nog langere brief. Met nog meer wijze raad en zogenaamd goedbedoeld, maar ongevraagd advies. Ongewenst ook. Bemoei je lekker met je eigen zaken.

Alsof iemand zich in je leven probeert in te vreten. Heel onaangenaam.

‘Waarom loop je hier eigenlijk altijd door de steeg?’ vraag ik haar op een gegeven moment. Het begint me op te vallen, dat ik de malloot altijd tegen kom, als ik zelf door de straat beweeg. Op elk mogelijk tijdstip. Met koffie to go in haar hand.

‘Woon je hier soms in de buurt?’ Misschien een nieuwe bemoeizuchtige buurvrouw? Haar antwoord verbijstert me.

‘Ik woon in Oegstgeest, in een saaie flat, maar ik vind Leiden zo leuk,’ antwoord ze me guitig lachend. Ik kijk haar stomverbaasd aan. Ja, Leiden is leuk, maar mijn steeg is een zeik- en piesstraatje. Met achteraf lelijk pleurisplaveisel. En oerlelijke nieuwbouw huizenblokken van foute witte plofbakstenen. Saai tot op het bot.

Niet bepaald een voor de hand liggende plek om chronisch rond te wandelen als je onze museumstad lief hebt. Alle alarmbellen gaan dus af bij Heks.

Rode vlaggen, rode vlaggen!

We hebben dus een vrouw met een lief snoetje, die de godganse dag bij me aan loopt te bellen, brieven met ongevraagd advies in mijn brievenbus stopt, door de straat paradeert met koffie in de hand, eindeloos hier op de stoep zit… Zich niks aantrekt van mijn bezwaren tegen het aanbellen….

“Heks, laat haar niet je huis in,’ maan ik mezelf. En dat is maar goed ook, dat gemaan, want op een kwade dag staat ze opeens zomaar bovenaan de trap voor mijn eigen veilige voordeur te leuterkoeken tegen me. Met een flauwe smoes. Ik laat haar niet binnen.

Dan is Ferguut een hele tijd weg. Ze ziet de briefjes in de straat hangen. Ik krijg weer post en ze belt weer aan en ze loopt me weer voor de voeten. Na een maand duikt mijn ridder weer op. In Oegstgeest. Waar zij woont!

Erg toevallig allemaal, maar ik denk toch niet dat ze mijn kat heeft gekidnapt. Dat kan ik me echt niet voorstellen. Maar helemaal zeker ben ik er niet van…..

Ergens in het najaar ben ik het dan eindelijk echt helemaal en ongelofelijk spuugzat. Ik zeg nog een keer luid en duidelijk, dat ik niet gediend ben van haar bemoeizuchtige praktijken. Op strenge en barse toon. Met een ondoorgrondelijke gezicht. Dat ik niet wil dat ze ooit nog bij me aanbelt. Dat die kat zichzelf prima redt. Dat ik mezelf prima red….

Een niet mis te verstane boodschap.

Het gaat een tijdje goed. Ik word niet meer uit mijn broodnodige slaapjes gewekt. Er liggen geen akelige hulpvaardige epistels meer in de brievenbus. Ze loopt niet meer door de straat met koffie in de hand. Ik begin haar al een beetje te vergeten……

En dan zondag begint het dus weer opnieuw. Er wordt weer aangebeld. Mijn kat wil pertinent niet naar binnen, maar toch probeert ze dat voor elkaar te krijgen. Omdat ze zelf naar binnen wil waarschijnlijk…

‘Ik heb je toch meermalen luid en duidelijk gezegd, dat ik dat niet meer wil, dat aanbellen. Dat je me vaak uit mijn slaap haalt met dat gebel. Dat ik het gewoon niet meer wil hebben!’ Ik kijk de vrouw doordringend aan.

‘Ach,’ zegt ze onschuldig, ‘Ik dacht, het is alweer een tijdje geleden, het kan wel weer…’

Zucht. Meuh. Bluhg.

Blonde Buurman moet erg lachen als ik hem dit verhaal vertel. ‘Ach Heks, jij hebt altijd van die mafkezen achter je aan. Gek op Leiden en dan hier in de steeg gaan wandelen, hahahaha…..’

‘Maar ik heb haar niet binnen gelaten. In het verleden zat ik nu met een vreselijke zogenaamde vriendschap opgescheept. Een vriendschap met iemand, die over me heen walst en voor wie het nooit genoeg is. Dat heb ik toch maar mooi voorkomen!’