Hij flikt het weer, voor de zoveelste keer: De Panter is verdwenen. Mijn ouwetje is de hort op. Is mijn kater meegereden met een vrachtwagen van de Schouwburg? Zit hij in het museum? Of in een schuurtje of garagebox? Heks loopt alweer dagen te zoeken. Tot nu toe zonder resultaat. Ja, ik ben kwaad. Op dat hardleerse beest! Hij heeft al zijn levens al versnoept! Op een kwaaie dag is hij er geweest……

Ja, het valt allemaal niet mee. Nee. Het leven is geen krentenbol. Of een balletje gehakt. Verre van dat. Het leven is een gevecht tegen de bierkaai. Tegen de windmolens in je eigen dolgedraaide kop. Hop. Het leven is niet gemakkelijk. Het is geen eitje bij je ontbijtje.

Vandaag heb ik een pestbui. Ik ben met name bijzonder nijdig op de Zwarte Panter. Die gestoorde idioot is er weer vandoor. Ondanks zijn hoge leeftijd is hij weer aan de zwier. Sinds vorige week vrijdag heb ik hem niet meer gespot.

De dag dat er hier tien vrachtwagens in de steeg een enorme berg teringzooi uit de Schouwburg in stonden te laden. Twee lange weken lang werd er een film opgenomen in dit historische pand. De hele steeg in rep en roer. En vrijdag was het dan klaar. In colonne reden al die kolossen vervolgens de steeg uit.

Met mijn panter aan boord? Is die eikel weer in een vrachtwagen geklommen? Kan ik hem weer ergens in Noord Holland gaan ophalen over een half jaar?

Of zit hij in de Schouwburg? Daar heeft hij de afgelopen winter ook ruim anderhalve week over het toneel lopen huppelen. “Nee, dan zou het alarm af gaan,’ beweert de beheerder, met wie ik een rondje door het lege gebouw maak. Al rammelend met een bakje kattenvoer.

‘Dat alarm ging de afgelopen winter ook niet af. Mijn kat heeft toen straffeloos hier de boel op stelten kunnen zetten, tot een paar werklieden de artiesteningang open deden. Rende er een schaduw naar buiten. Miauwend en wel. Ze hebben het me zelf verteld,’ dien ik de man van repliek.

Ferguut komt niet tevoorschijn. De ellendeling laat zich niet zien.

Al dagen loop ik ’s nachts om een uurtje of drie te roepen bij schuurtjes en garageboxen. Bij leegstaande panden en schoolgebouwen. Bij het Boerhaavemuseum en de Leidse Schouwburg. Bij de bioscoop en de diverse studentenhuizen. Nergens zie ik mijn panter. Mijn monster lijkt van de aardbodem verdwenen. Mijn grote stoere kater is en blijft weg.

Voor de zoveelste keer. Hoe vaak heb ik dit al meegemaakt? En altijd weet ik binnen een halve dag, dat het foute boel is. Alsof mijn panter me een bericht stuurt. ‘Help, vrouw, ik zit in de penarie. Ik ben ernstig in de problemen geraakt, ik zit opgesloten…..’

Hoe vaak heb ik niet door het museum lopen dwalen op zoek naar mijn Zwarte Ridder? Ook daar beweerden ze dan, dat het alarm af zou gaan door mijn kat. Ze keken vervolgens heel raar op, als mijn bakbeest dan uiteindelijk ergens in het gebouw op dook. Hoe was dat nu mogelijk?

Alles is mogelijk bij de Zwarte Schaduw. Hij kan zich onzichtbaar maken. Hij zweeft op kousenvoetjes door al die oude panden. Hij kruipt onder de vloer en verschuilt zich in het riool indien nodig. Mijn panter heeft al zoveel avonturen beleefd.

Maar het moet nu maar eens afgelopen zijn met die gekkigheid. Ferguut is 14 jaar oud. De gemiddelde kat ligt dan al in zijn graf. Maar meneer de Koekepeer gaat gewoon op queeste. Hou nou toch eens een keertje op. Schei uit met die zottigheid.

Vandaag staat in het teken van mijn kat vinden. ‘Ik heb een website met allemaal tips naar je toe gemaild. Misschien een poster in de buurt ophangen?’ suggereert Rozenhart. ‘Zo’n poster is weinig zinvol. Ferguut kent de buurt op zijn duimpje. Hij kan echt de weg wel terug vinden naar huis….’ antwoordt Heks mismoedig.

We bellen met de productiemaatschappij van de film, nadat de zoektocht in de Schouwburg niets heeft opgeleverd. Iemand gaat de vrachtwagens nakijken. Of er geen kat in zit. Navragen ook of er geen kat ontsnapt is, tijdens het uitladen…

Ook dit levert niks op.

Machteloos. Je staat als mens machteloos tegenover dit kattengeweld.

Ik steek een kaarsje aan en brand een geuroffer. ‘Tanneke Toverheks, lief vriendinnetje van me, wil je me helpen zoeken naar mijn kat Ferguut?’ prevel ik tegen mijn kattenvriendinnetje aan gene zijde. Zij was bij leven een geweldige kattenvindster. Ze heeft menig zoekgeraakt poesje opgesnord. Voor deze en gene. Ook voor Heks.

‘Hij komt wel weer boven water, Heks,’ lispelt haar lieve stem in mijn oor, ‘Je moet gewoon eventjes geduld hebben. Het heeft wat tijd nodig…..’

Geduld heb ik niet. Ik maak me zorgen. Mijn kat is intussen echt een oude man. Hij mist een paar voortanden. Die zijn er uitgeslagen door zijn aartsvijand die Kut-Bengaal.

Ach, lieve onmogelijke Panter. Roofriddertje van me. Zwarte Schaduw. Mallotige idioot: Kom naar huis!!!!!!!!! Ik mis je. Wij allemaal. Zelfs de Boskat……

Vriend wil mijn pup VikThor lenen om over de markt te flaneren: Alle vrouwen vallen in katzwijm! Een enorme boost voor zijn ego!

 

Wandelen met een pup is een ervaring op zich. Ik herinner me het nog van toen Ysbrandt zo klein was. Mijn eerste hondenbaby arriveerde twaalf jaar geleden een paar dagen voor kerst. Eindeloos liep ik hier door de steeg te wandelen met het piepkleine ventje. In de aan die steeg grenzende Schouwburg speelden de acteurs Arjan Ederveen en Beppy Melissen die week mee in een hilarisch kindertoneelstuk: De Wensput. Ik ben natuurlijk gaan kijken, echt heel leuk.

De gigantische hond van Arjan rende ook door de steeg herinner ik me. En Beppie. Zij rende niet, maar schreed. Heks is een grote fan van Beppie Melissen. Ik was dan ook zeer verguld toen ze helemaal verliefd werd op mijn puppy. ‘Oh’ en ‘Ah’ klonk het dagelijks uit haar beroemde mond. Aan het eind van de voorstellingenreeks kreeg Heks een enorme bos bloemen van haar cadeau. Of beter gezegd: De kleine Ysbrandt kreeg een ruiker!

Ook nu zijn de vertederde verzuchtingen niet van de lucht als ik met mijn pup door de stad wandel. ‘Wat een lief hondje’ verzucht mijn nieuwe buurvrouw. Samen met haar vriendje knuffelt ze mijn ventje plat. Ik vertel hen over het gezucht en gekreun op de locale terrassen zodra ik met VikThor op de proppen kom.

‘Of het nu junkies zijn of zware alcoholisten, iedereen komt in zijn of haar zachtheid met mijn hondje. Het meest grappig zijn de geluidjes van jonge meiden…’ ik doe het voor, geen gehoor natuurlijk: Mijn imitatie lijkt overdreven, maar dat is het niet. Al die meiden maken echt zulke geluiden! Mijn buren liggen dubbel.

Dan komt de huisgenote van de buurvrouw aanfietsen. ‘Kijk een wat een leuk hondje’, roept de buurvrouw naar haar vriendin. Ze doet snel een stap opzij zodat VikThor in beeld komt. En ja hoor: ‘OOhohohooooh….’ verzucht het meisje idolaat. En ‘Ahahaaahhh’. Exact op dezelfde manier als ik net nog heb voorgedaan! ‘Hahaha,’ lachen mijn gesprekspartners. Zo grappig!

‘Ik wil ook een hond,’ vertrouwt een junkie me eerder deze week toe. Hij is net klaar met gebruiken. De zilverpapiertjes liggen nog te slingeren. Ondanks allerlei gevaarlijke metalen punten om gebruikers te weren zit hij op zijn oude vertrouwde plek bij de Volksuniversiteit. Hij is zo dun dat hij waarschijnlijk met gemak toch comfortabel tussen de spiesen kan zitten……

‘Ik ben wel een beetje klaar met mensen, je kunt ze niet vertrouwen …’ Hetgeen mensen ongetwijfeld ook over hem zeggen. Junkies zijn nu eenmaal doorgaans niet de meest betrouwbare en bebouwbare medemensen…… Hij kijkt onrustig om zich heen. Dan blikt hij weer vertederd naar mijn hondje. ‘Zij houden echt onvoorwaardelijk van je…’

We praten eventjes over het hebben van een hond. De verantwoordelijkheden die het met zich meebrengt. Ritme en regelmaat is wat de klok slaat met een hond. In die zin zou het wel goed voor de man zijn. En ook van de onvoorwaardelijke liefde zou hij erg opknappen. Elk mens wil liefgehad worden. Ook de meest duistere ziel.

Maar of het goed is voor de hond? Ik betwijfel het ten zeerste. De jongeman kan duidelijk niet voor zichzelf zorgen, laat staan voor een ander…..

Twintig keer per dag vallen mensen op hun knieën voor mijn pup. Ze maken de gekste geluidjes, zonder zich te generen. Vijf schooljongens in de ban van Pokemon doorkruisen de steeg. Er staat een lur aan om de hoek. Vraag me niet wat het is, maar het trekt veel publiek, dat wel.

De jochies zijn pre-baard-in-de-keel-stoere-gasten. Ze keuren me geen blik waardig totdat er een piepklein hondje uit mijn tas komt. De grootste van het stel ligt direct op de grond te dweilen. ‘Mag ik hem aaien?’ hij knuffelt zonder gene met VikThor. ‘Kijk eens wat een schattig hondje,’ roept hij tegen zijn vrienden. Niet veel later ben ik omgeven door een prepuberale stoeipartij. Oh, wat vinden ze mijn hondje toch leuk!

Een oude vriend van Heks heeft al geïnformeerd of hij mijn pup een keertje mag lenen om over de markt te flaneren. Een dergelijke ervaring met Ysbrandt heeft hem de meest leuke en legendarische flirts opgeleverd met hordes beeldschone dames. ‘Echt Heks, je weet niet wat je meemaakt als man. Nog nooit heb ik zoveel aandacht gekregen van de vrouwen als tijdens mijn wandeling met jouw puppy. Een ervaring om nooit meer te vergeten!’