Roeien met de theelepeltjes, die je hebt. Oost, West, krijg de pest. De pest er in heeft geen zin, Heks. Dus kom je tot niets, stap dan op je fiets. Die geweldige snelle elektrische fiets.

Heks zit weer in een lekkere periode van roeien zonder riemen, omdat je ze niet hebt. Heks heeft theelepeltjes tot haar beschikking. Om de drie dagen. De tussenliggende periode lig ik hoegenaamd stil.

Behalve als ik elektrisch rondfiets. Met mijn hondje, mijn zenmeester, mijn viervoetige vriend.

Idioot heet is het de afgelopen weken. Met tropische uitschieters en zwoele nachten. Heks ligt ’s middags in bed te wachten tot het een beetje afkoelt. Soms is het pas tegen zevenen enigszins te harden. Dan hang ik Vik’s kar achter mijn fiets. Stop mijn monster er in en hopla: Op naar het eerste beste parkje.

Daar laat ik mijn ventje zwemmen, totdat hij genoeg is afgekoeld om veilig de stad uit te komen. Op de warme geasfalteerde stukken zit mijn prinsje op zijn erwt in de hondenkar. Schaduwrijke stukken laat ik hem lekker rennen naast de fiets.

Bij het Valkenburgermeertje is het een drukte van belang. Dikke schommelende dames staan heupwiegend balletjes te gooien voor minuscule ratachtige hondjes. Een bolle lelijke kerel geeft me een grote bek, omdat zijn hond de bal niet uit het water wil halen. En mijn hondje wel. Ook het balletje van zijn hond.

Ik geef die afgekloven tennisbal dus maar weer terug aan dat stuk chagrijn. Met tegenzin. En een opmerking. Zijn vrouw glimlacht vergoelijkend, zoals een echte narcistenpartner betaamd. Snel maak ik me uit de voeten. Ik voel een scheldaanval  opkomen, zoals altijd tegenwoordig na een confrontatie met een rasnarcist.

Vlak voordat ik ervandoor ga schrik ik me een hoedje. In de verte komt een dame aanlopen met een grote hond. Ik denk eventjes dat het een oude vriendin betreft, die om onduidelijke redenen van de ene op de andere dag is afgehaakt. Maar nee. Het is een mij onbekende vrouw.

Als ik heel veel later op de terugweg weer langs het hondenstandje kom, staat de vrouw er nog steeds. We raken aan de praat, terwijl we eindeloos balletjes gooien voor onze honden.

En wat blijkt? We hebben op dezelfde lagere school gezeten. We kennen dezelfde mensen. Ze vertelt hoe ze haar hond van een jager heeft gekregen. ‘Hij was niet zo geschikt voor de jacht. Beet veel te hard in de aangeschoten dieren. Was bezitterig op zijn prooi. Toen ik hem kreeg was hij zo vals als wat. Altijd op zijn flikker gekregen. Echt heel zielig. Hij sliep in een schuur. Totaal niet gesocialiseerd….’

Ongelofelijk. Ik zie een prima gesocialiseerde hond, die uitstekend luistert en heel hard wil werken voor de baas……Dat heeft ze in no time voor elkaar gekregen! Slechts een paar jaar. ‘Het is een ouwe kerel, hoor. Hij is ruim negen.’

De dame naast me krijgt regelmatig afgeschoten wild van bevriende jagers. Het wordt op de juiste wijze geschoten. ‘Die jager van wie ik vaak iets krijg gaat rustig twintig keer terug om een bepaald dier te schieten. Hij moet hem goed op de korrel krijgen, zodat hij hem met 1 schot kan doden. Direct in de longen of het hart…..’

Zij slacht vervolgens die dieren. ‘Ik eet er zelf van en geef soms wat aan vrienden. Of ik nodig mensen op het eten…..’ ‘Wat doe je met de huiden?’ ‘Die gooi ik weg….’

Zo wisselen we dan adressen uit. Heks mag de huiden komen halen om trommels van te maken. Nou ja, een trommel. Dat is wat ik wil. Eentje voorlopig. Maar eens zien of dat lukt.

Op de valreep kom ik er achter, dat we nog een passie delen. Stenen! ‘Ik ben net terug uit de Sahara. Daar heb ik gezocht naar halfedelstenen. Er zijn allemaal oude mijnen, door de Fransen leeggeroofd en achtergelaten, waar lokale mensen met gevaar voor eigen leven in gaan. Ik doe dat niet , hoor. Dus ik vind ook niet de mooiste stenen…..’

‘Op een gegeven moment kwam ik in contact met een vader met zijn zoontje. Zij hadden allemaal halfedelstenen te koop. Maar hun prijs was belachelijk laag. Ze vroegen 500 dinar. Dus heb ik mijn gids gezegd te doen of hij hen niet begreep…..’

‘Dat vind die vrouw veel te duur, 5000 dinar. Ze wil er hooguit 4000 voor geven….. Hahahaha….’

Tevreden fiets ik naar huis. Wat een leuke ontmoeting. Wat een bijzonder medemens. En wie weet maak ik binnenkort wel zelf een prachtige drum. ‘Ik heb een ree voor je, maar hij ligt al een paar dagen in de warmte, dus hij stinkt wel heel erg….’ appt ze me later.

Nou, de volgende keer beter. Dit valt me nog een beetje rauw op mijn dak. Eerst maar eens zorgen, dat ik een heks vindt, die hier wat meer ervaring mee heeft. Zodat we lekker samen aan de gang kunnen met die huiden.

 

 

Hoera, het is volop lente! Moeder natuur draagt haar schitterende bruidskleed! Heks kruipt onder haar steen vandaan om naar buiten te gaan…. Ik fiets me suf op die ouwe trouwe Batavus. Met lekker wat trapondersteuning. En fietskar……… Zo redden we het wel op en neer naar het Valkenburgermeertje, mijn kleine hondje en ik!

Zondag fiets ik aan het eind van de middag de stad uit. VikThor zit in zijn kar. In een parkje aan de Singel laat ik hem zwemmen. Het ene bommetje na het andere produceert mijn kleine stoere mannetje. Tot groot vermaak van de omstanders. Het is ook geen gezicht, zo’n vliegende hond.

Zijn laatste kunststukje is direct op de bal duiken, kopje onder gaan en vervolgens met bal in bek weer boven komen. Voorwaar geen sinecure na een vlucht door de lucht!

Vanmorgen hebben we ook al uren in dit park doorgebracht. Nu echter gaan we door. De hete stad uit. Hop, naar het Valkenburgermeertje!

Daar zit Vlinder op me te wachten op een terrasje. Met haar lief. Ze gaat hem aan me voorstellen. Aan de keuringsdienst van waarde zogezegd.

Als ik arriveer zitten ze al breed lachend op me te wachten. Vik springt een gat in de lucht. Hij heeft de diepe liefde van Ysbrandt voor Vlindertje zonder meer overgenomen. Tevreden nestelt hij zich aan haar voeten.

Na een uurtje keuren en kletsen gaan mijn vrienden er vandoor. Goedgekeurd hoor! Heks gaat ook weer fietsen. Ik besluit nog eventjes naar Wassenaar te gaan. Hemelsbreed niet eens zo ver. Prachtig door de weilanden. Langs sloten en vaarten.

VikThor springt sloot in, sloot uit. Hij is toch weer zo gelukkig! In Wassenaar kom ik een paar jongetjes tegen. Een beetje in de leeftijd van de karakters uit Southpark. Eric Cartman en Kyle zeg maar.

‘Mogen wij een keertje met dat balletje gooien?’ vraagt Cartman. Zijn ondeugende koppie kijkt me enthousiast aan. Zijn vriendje staat me ook al te observeren.

Natuurlijk mag dat. Het volgende kwartier zijn de jongetjes druk in de weer met mijn hondje. Die qua hondenjaren ongeveer even oud is. Grappig toch weer!

Als ik terug ben bij het Valkenburgermeertje raak ik aan de praat met een vrouw in een rolstoel. Met hulphond. Ze vertelt me haar halve levensverhaal. Niet zozeer over wat ze mankeert, maar over haar spirituele reis door het leven. Een geschiedenis met veel dieptepunten, tegenwerking en duistere krachten……

Ja, helaas trekt groot licht vaak ook duisternis aan. Zoals motten onweerstaanbaar worden bekoord door een gemiddelde lamp. Heks mag van geluk spreken dat ze niet zo’n licht is……

Alhoewel…. Ik heb ook een flinke dosis duistere idioten te verstouwen gekregen in mijn amoebe-leventje.

Eenmaal terug in Leiden kan ik geen pap meer zeggen. Ik val in slaap zonder te eten of me zelfs maar uit te kleden. De beesten hebben gelukkig wel te eten gekregen.

Uren later word ik wakker. Het is alweer licht. Ik laat de hond uit en eet een banaan. Laat ik maar weer naar bed toe gaan…..

Maandagavond fiets ik alweer naar het Valkenburgermeer. Opnieuw rijden we helemaal door naar Wassenaar. En alweer kom ik jongetjes uit Southpark tegen. Ze springen een gat in de lucht als ze VikThor zien! Ze zien er niet alleen Amerikaans uit,  ze praten het ook. ‘We zitten op de American School of the Hague,’  klessebest Eric opgewekt tegen me.

Ze spreken werkelijk geen woord Nederlands. Een bizar verschijnsel in dit oer Hollandse landschap. Dit landschap van mijn jeugd. Deze weilanden waar ik als kind placht rond te dwalen. Weliswaar net iets oostelijker dan deze polder. Deze kleiklontgrond waar mijn wortels liggen……

De jongetjes hebben de hele middag gevist, maar niks gevangen. ‘We hadden wel tien wormen gevonden, maar het hielp niets,’ verklaart Kyle.

Vervolgens gaan ze als een dolle met mijn hondje aan de gang. Die plonst keer op keer in de vaart. ‘Zal ik ook springen?’ gilt Cartman dan telkens. Van mij mag hij. Het joch is sowieso al kletsnat.

‘Dat komt omdat we dit doen,’ schreeuwt Kyle begeesterd, terwijl hij de emmer water, waar ook vis in had moeten zitten, omkeert boven zijn ondeugende koppie. Cartman volgt zijn voorbeeld. ‘Nou moet ik zeker in de vaart springen,’ krijst hij vrolijk.

Toch springt hij niet. Waarschijnlijk heeft zijn moeder het hem verboden. En haar verbod reikt ver! ‘Het is hier helemaal niet diep, hoor,’ Kyle heeft blijkbaar ervaring op dit gebied. Hij vertelt me een verhaal hierover dat ik niet snap. Niet vanwege de taalbarrière, maar omdat het zulke ongelofelijke kleine-jongetjes-logica is……

Op de terugweg pak ik een terrasje aan het meer. Heerlijk zit ik een uurtje te peinzen temidden van een dampende menigte uitgelaten mensen. Wat een drukte!

De molen van Molenaar!

Op mijn gemakje peddel ik terug naar de stad. Het is genoeg afgekoeld om mijn ventje te laten lopen. We fietsen nog een ommetje door de polder waar ik dan wel ben opgegroeid, de Stevenshofjespolder, langs de molen van Molenaar, maar dan is het toch echt mooi geweest.

Even later fiets ik de warme stad weer in. De terrasjes puilen uit. Het is al negen uur intussen. Thuis plof ik in mijn stoel. Zal ik eventjes gaan liggen? Eerst de beesten eten geven en dan…… Uren later word ik wakker.

Gelukkig heb ik ’s middags warm gegeten. Wijs geworden door een paar dagen overslaan. Even tanden poetsen, hond uitlaten en dan……. weer naar bed gaan.